toeslagrecht

vermogenstoets

Status: draft · regel zt-2026-art3-1

Wzt art. 3 lid 1 (BWBR0018451, geldend van 01-01-2026; in 2024 art. 2a lid 1, vernummerd per 06-11-2024), in afwijking van Awir art. 7 lid 3; rendementsgrondslag: Wet IB 2001 art. 5.3; de vrijstelling van art. 5.13 Wet IB 2001 (groene beleggingen) telt niet mee.

Het artikel zoals de regel het aanhaalt · draft

In gewoon Nederlands: Is uw vermogen op 1 januari hoger dan € 146.011 (2026), of samen met uw partner — als dat het hele jaar dezelfde partner is — hoger dan € 184.633, dan krijgt u het hele jaar geen zorgtoeslag. Groene beleggingen tellen hier gewoon mee. (2025: € 141.896 / € 179.429; 2024: € 140.213 / € 177.301; 2023, art. 2a: € 127.582 / € 161.329, Stcrt. 2022, 28997; 2022: € 120.020 / € 151.767, Stcrt. 2021, 47692; 2021: € 118.479 / € 149.819, Stb. 2020, 546 jo. Stcrt. 2020, 67965 — het eerste jaar van de rendementsgrondslag-toets.) 2020 en eerder: art. 2a lid 1 (tekst 2020) vergeleek niet de rendementsgrondslag maar de grondslag sparen en beleggen (Wet IB 2001 art. 5.2 lid 1: de rendementsgrondslag op de peildatum voor zover boven het heffingvrije vermogen; lid 2: voor partners het hele jaar de gezamenlijke rendementsgrondslag boven het heffingvrije vermogen van beiden) met één bedrag, € 85.767 in 2020 (Stcrt. 2019, 61842), € 84.416 in 2019 (Stcrt. 2018, 61205), € 83.415 in 2018 (Stcrt. 2017, 65628), € 82.752 in 2017 (Stcrt. 2016, 60569, van € 82.504), € 82.504 in 2016 (Stcrt. 2015, 40655, van € 82.093), € 82.093 in 2015 (Stcrt. 2014, 32936, van € 81.360) € 81.360 in 2014 (Stcrt. 2013, 35607, van € 80.000) en € 80.000 in 2013, in de wet zelf (Stb. 2012, 204, art. I, in werking per Stb. 2012, 383; de slotvolzin over de vrijstelling van art. 5.13 Wet IB toegevoegd bij Stb. 2012, 669, art. XXIX) — 2013 is het eerste jaar van de vermogenstoets; de Wzt van 2012 kende er geen. De encoding vraagt ook voor 2013 t/m 2020 de rendementsgrondslag en trekt zelf het heffingvrije vermogen af (€ 30.846, Wet IB 2001 art. 5.5, tekst 2020; € 30.360, tekst 2019; € 30.000, tekst 2018; € 25.000, tekst 2017; € 24.437, tekst 2016; € 21.330, tekst 2015; € 21.139, tekst 2014, gelijk aan 2013 omdat Belastingplan 2014 art. XXXIV de indexatie van 2014 oversloeg; € 21.139, tekst 2013, gelijk aan 2012 omdat art. XVIII van de Wet uitwerking fiscale maatregelen Begrotingsakkoord 2013, Stb. 2012, 321, de indexatie van 2013 oversloeg (toelichting Bijstellingsregeling 2013, Stcrt. 2012, 26314); tweemaal bij het hele jaar dezelfde partner), zoals parameters/2020.yaml t/m 2013.yaml zeggen met vermogenstoets_basis en heffingvrij_vermogen. Zo komt 2020 op € 116.613 / € 147.459 uit — precies de bedragen die Stb. 2020, 546 per 2021 als rendementsgrondslag-grens invoerde — 2019 op € 114.776 / € 145.136, 2018 op € 113.415 / € 143.415, 2017 op € 107.752 / € 132.752 , 2016 op € 106.941 / € 131.378, 2015 op € 103.423 / € 124.753, 2014 op € 102.499 / € 123.638 en 2013 op € 101.139 / € 122.278 (de toelichtingen bij Stcrt. 2017, 65628 en Stcrt. 2016, 60569 zeggen het zelf zo: 'boven het heffingvrije vermogen plus € 83.415', resp. 'plus € 82.752'; Stcrt. 2014, 32936: 'plus € 82 093'; Stcrt. 2013, 35607: 'plus € 81.360').

De berekening

vermogenstoets(rendementsgrondslag, partner, hele_jaar_dezelfde_partner, jaar) geeft geen_aanspraak, aanspraak of niet_getoetst (geen vermogen opgegeven); voor 2013 t/m 2020 eerst grondslag = max(0, rendementsgrondslag − n × heffingvrij vermogen), n = 1 of 2.

Waar de wet ruimte laat

Welke grens geldt bij een partner die niet het hele jaar partner was, zegt lid 1 niet uitdrukkelijk; de encoding geeft dan undetermined met het artikel.

Versies per jaar

Voorbeelden die deze regel testen

Verschillen en geschillen

Nog geen.